13 juli 2020

In gesprek met de architecten van de Groene Loper: Liesbeth Brink

De nieuwe gebouwen en woningen aan de Groene Loper worden goed verbonden met de historische bebouwing van Maastricht, maar ook met elkaar en de buurten in de omgeving. Dat gebeurt op allerlei manieren, zoals blijkt uit de ontwerpen van Liesbeth Brink van het Rotterdamse bureau Atelier Brink. Van haar hand zijn grondgebonden stadswoningen, een aantal hoekpanden en het appartementengebouw op de zuidelijke hoek van de President Rooseveltlaan en Schepen Roosenlaan. Liesbeth vindt dat het oog van de voorbijganger bij een gebouw ‘op avontuur moet kunnen gaan’. In de vierde aflevering van onze serie over de architecten van de Groene Loper stellen we haar aan u voor.

Aandacht en detail

Liesbeth Brink maakte carrière bij de Dienst Ruimtelijke Ordening in Amsterdam en als directeur van een groot architectenbureau in Rotterdam. Met Atelier Brink heeft ze tegenwoordig een klein bureau, met naast haarzelf nog twee medewerkers. Een bewuste keuze, vertelt ze. ‘In een klein bureau heb je zicht op alles wat de deur uitgaat. En je bent nauwer in contact met de opdrachtgever. Goede architectuur wordt gemaakt door het detail en veel aandacht. Die aandacht kan ik in een klein bureau beter concentreren dan in een groter bureau. Wie Atelier Brink inschakelt, weet precies wat-ie krijgt, namelijk Liesbeth Brink.’
Atelier Brink bestaat sinds 2005 en heeft naam gemaakt met vooral projectmatige woningbouw in opdracht van woningcorporaties en ontwikkelaars. ‘Wij werken het liefst op het grensvlak van architectuur en stedenbouw. Onze focus ligt daarbij op projecten in de bestaande omgeving, die we met onze ontwerpen altijd beter willen maken. Nieuwbouw in uitbreidingswijken doen we maar zelden.’
 

Verbinden

Atelier Brink streeft altijd naar een goede verbinding met en aansluiting op de bestaande stad. ‘Wij willen per definitie iets maken dat goed past bij de omgeving’, aldus Liesbeth. ‘Daarom beginnen we elke opdracht met een goede analyse van de plek. Hoe dicht is de bebouwing, welk type gebouwen liggen er, welke materialen worden gebruikt in welke kleuren, dat soort vragen. We zoeken altijd naar gemeenschappelijke kenmerken waarop we kunnen aansluiten. Dan kan het nog altijd een eigentijds, bijzonder gebouw zijn dat afwijkt van het bestaande. Maar er zijn altijd elementen die zorgen voor verbinding.’

De kleur van de kerk

Als voorbeeld geeft Liesbeth de verbinding van haar ontwerpen aan de Groene Loper met de Onze Lieve Vrouw van Lourdeskerk. ‘Deze is opgetrokken in de gele Kunrader kalksteen. Dat is een lokaal product waarmee vroeger alle voorname gebouwen werden opgetrokken. Je ziet dat ook in Maastricht overal terugkeren. Omdat ook de Groene Loper een statige laan wordt, willen we dat ook in onze ontwerpen laten terugkomen. De Kunrader kalksteen wordt echter niet meer gemaakt. Na lang zoeken vonden we een Belgische baksteen met dezelfde kleur. Die is wel duurder, maar we hebben er op aangedrongen deze te gebruiken en dat gebeurt nu ook. Zo komt de kleur van de kerk elders aan de Groene Loper terug.’
Van hetzelfde geel wordt ook het lagere, uit vier lagen bestaande deel van het appartementengebouw aan de ‘Kersenstrip’, op de zuidelijke hoek van de President Rooseveltlaan en Schepen Roosenstraat. Het hogere deel, met zeven woonlagen, wordt opgetrokken in een witte baksteen. Eveneens een bewuste keuze, vertelt Liesbeth. ‘Maastricht kenmerkt zich ook door veel witte architectuur. Ook met deze witte toren zoeken we dus de verbinding met de stad, maar dan met een eigentijds gebouw.’

Van privé naar openbaar

Het appartementengebouw laat ook op andere manieren zien hoe Liesbeth Brink graag gebouwen ontwerpt. Met onder meer balkons en een ruime entree zoekt ze ook hier de verbinding, nu met de directe omgeving. Dat sluit ook aan op de wens in het stedenbouwkundig plan voor de Groene Loper om goede overgangen te maken tussen de gebouwen en het openbaar gebied, een soort tussenzone tussen privé en openbaar. ‘Je kunt niet op zo’n statige laan als de Groene Loper de bebouwing keihard op de straat laten komen’, zegt Liesbeth. ‘Daarom ontwerpen we ons appartementengebouw naar beneden toe breder, zodat het beter aansluit op de lagere bebouwing in de directe omgeving. Op de eerste twee verdiepingen komen uitstekende balkons, die voor contact zorgen tussen het gebouw en de straat. Dat gebeurt ook met de royale en ruime entree aan de Schepen Roosenlaan. Ook in onze andere ontwerpen aan de Groene Loper zoeken we naar verbinding, bijvoorbeeld via erkers, balkons of bordessen van waaruit direct contact ontstaat met de Groene Loper.’

Op avontuur gaan

Liesbeth besteedt net als de andere architecten aan de Groene Loper veel aandacht aan de detaillering van haar gebouwen. Het oog van voorbijgangers moet, zoals ze dat treffend uitdrukt, op avontuur kunnen gaan. Dat gebeurt onder meer met speciale hekwerken bij balkons en bordessen, naar voren springende bakstenen bij de scheiding van twee woningen en de armaturen boven de voordeuren. ‘Zo ga je, naarmate je beter gaat kijken en dichter bij een woning of gebouw komt, steeds meer details ontdekken. Op die manier zorgen we ervoor dat elke woning toch een eigen signatuur krijgt.’

Rijkdom

De manier van werken aan de Groene Loper, met de gezamenlijke ontwerpsessies met opdrachtgever, collega-architecten en supervisors, ervaart Liesbeth als een ‘rijkdom’. ‘Je spiegelt je ideeën over het ontwerp aan anderen en dat op een open manier. Natuurlijk leg je daarbij je ziel helemaal bloot en daar wordt op geschoten. Dan moet je wel eens slikken, maar het helpt om je gedachten over de architectuur scherper te krijgen. Het zorgt er ook voor dat de afstemming op de omgeving die wij zo belangrijk vinden, of die nu bestaand is of nieuw, hier zorgvuldig gebeurt. Daarbij vind ik dat mijn collega’s hier echt goed werk leveren. En de twee supervisors Edzo Bindels en Fred Humblé zijn van een hoog kaliber. Dit maakt de Groene Loper toch anders dan andere projecten.’

Voor- en nadelen

Ook aan Liesbeth tot slot de vraag wat corona betekent voor haar werk. ‘Het is wel een voordeel dat veel overleggen nu digitaal kunnen gebeuren. Dat scheelt veel reistijd. Maar om echt te gaan ontwerpen, moet je met elkaar rond een tafel zitten. Daarom zou het ook fijn zijn om onze definitieve ontwerpen voor de Groene Loper nog eens aan elkaar te kunnen presenteren. Bij elkaar komen is soms toch beter.’