21 december 2020

Van wie is de Groene Loper? #15

Het kerstspel van juf Miriam

 

In de kerstaflevering van Jan Janssen is de Groene Loper van een lerares. Lees mee en glimlach bij een traditioneel kerstspel dat wellicht ooit zo heeft plaatsgevonden op een basisschool aan de Groene Loper, in een tijd waarin we nog nooit hadden gehoord van een anderhalvemetersamenleving.

In de Theresiaschool was het een kakofonie van kinderstemmetjes. Iedereen was zenuwachtig en zeker de kinderen die dit jaar mee mochten doen in het kerstspel. Wekenlang was druk geoefend. Juffrouw Miriam had haar uiterste best gedaan om alle kinderen van de groepen 6 en 7 een rol te geven in het spel. Dat was al een hele opgave geweest omdat de andere juffen en meesters hun handen in onschuld wasten. Ervaring van eerdere jaren, weet je wel!!!

Om veel oudergesprekken van verontwaardigde ouders te omzeilen had juf Miriam de verdeling van de hoofdrollen dit jaar via loting laten verlopen. Toch had juf Miriam een aantal indringende gesprekken moeten voeren waarbij ouders subtiel doch direct vroegen om hun kind van slechts - engel - naar Maria te laten promoveren. Of herder om te zetten naar minimaal koning omdat oma en opa er een treinreis van meer dan een uur voor over hadden en dan slechts een herder voorgeschoteld kregen. Juf Miriam bleef echter bij de uitslag van de loting en dus bleef Kyona Maria en werd Yusuf koning Balthasar. De enige optie die overbleef was om Laurens-Jan van herder om te zetten naar kamelendrijver maar dat werd door mama niet als promotie ervaren.

De oudste leerlingen van de Théresiaschool, de kinderen van groep 8, hadden de rol van gastvrouw of gastheer gekregen. Juf had gezegd: “Jullie zijn de oudste kinderen van de school en dus het verstandigst en jullie moeten straks regelen dat alle ouders en grootouders die komen kijken en luisteren een mooie plek in de grote zaal van het Trefcentrum krijgen.” Glunderend hadden ze geluisterd naar juf Miriam die hun zoveel vertrouwen had gegeven.

De Theresiaschool (fotograaf: Aron Nijs)

Klokslag 14.00 uur zou het kerstspel beginnen. In een lange rij liepen de spelers, allemaal al verkleed, van de Théresiaschool naar het Trefcentrum. Het was een grote vrolijke optocht waaruit de plankenkoorts zich overduidelijk liet horen.
En toen dan ook om precies 14.00 uur een van de kleuters, verkleed als engeltje, het podium op kwam lopen viel iedereen stil. Het engeltje liep tot in het midden van het podium, keek pertinent de zaal in en riep toen met een helder stemmetje, zoals alleen engeltjes een stem hebben, “’t speul geit beginne!”. Juf Miriam slaakte een zucht van verlichting. Weken voorbereiding gingen nu resultaat leveren.
Tot juf Miriams verbazing bleef het engeltje staan en keek zoekend de zaal in, zette twee pasjes opzij en begon driftig te zwaaien naar oma die opstond van haar stoel en begon terug te zwaaien.

Juf: “Dayonara, kom hier!”, maar Dayonara riep: “Oma, iech höb nui sjeun!” en tilde haar engelenkleedje op om oma haar nieuwe schoenen te laten zien. Door de hele zaal klonk een bulderend gelach en bij juf Miriam sloeg de wanhoop toe.

Toen het engeltje eindelijk van het podium was verdwenen was het de beurt aan de herders. Juf Miriam gaf aan meester Frans, die de geluidinstallatie bediende, een seintje om de band te starten. Er kwam echter geen muziek, alleen het woord “verdomme” klonk van achter de installatie en de groep herders bleef als verstijfd staan. Herder Nölke, waarvan de familie op de eerste rij zat, gaf als uitleg: “Euze meziek kump neet, shit hè mam!” Toen uiteindelijk toch muziek klonk riepen alle herders in koor: “Meester Frans, dat is ons liedje gaaruit niet, dat is van de koningen”. Meester Frans was inmiddels een zenuwinzinking nabij.
Inmiddels kwam een helpende moeder met de zwarte koning aangelopen. “Hij moet nodig! Kom maar Leroy, we hebben nog wel even tijd voordat je aan de beurt bent.” De kijkers op de eerste rij roken inmiddels dat het Leroy menens was en dat de plankenkoorts op Leroy’s darmen was geslagen.

Ondertussen was de muziek van de herders gevonden en kwamen de herders het podium op gelopen. Herder Joke begon: “Het is een koude nacht vannacht. De kudde slaapt”. Herder Johnny viel bij: “De maan en de sterren hebben allemaal een krans, kijk is hoe bijzonder dat is.” Hij wees naar boven. … stilte … en nog eens … stilte …
Verschrikt keken de herders naar juf Miriam terwijl herder Nölke in de ban was van alle mensen in de zaal en daardoor stond te dagdromen. “Nölke diech bis menneke!”, klonk het vanaf de regietafel. Nölke zette zijn bril recht en zei toen: “Kijk herders, wat is dat daarboven in de lucht? Dat heb ik nog nooit gezien!”
Daarna moesten de herders, dat was zo gerepeteerd, op de knieën vallen met hun gezicht naar de grond. Nölke bleef echter staan en toen een van de andere herders aan zijn broekspijp trok kreeg die een por. “Juf, hem stók mij!”, klonk het door de zaal en juf Miriam liet blijken dat ze het gezien had en dat ze verder moesten spelen.

De engeltjes kwamen nu van achteruit de zaal gelopen. Uit de geluidboxen klonk “de herdertjes lagen bij nachte”. Alle mama’s en oma’s hadden zichtbaar een brok in hun keel en tranen op de wangen. Een engel in een lichtblauw jurkje kwam naar voren en zei: “Herders schrik niet, ik breng jullie een blijde boodschap. Heden is de verlosser geboren. Ga het kindje bezoeken in de stal in Bethlehem!”

De herders sprongen op en liepen het podium af terwijl uit de boxen klonk “Er is een kindeke geboren op aard”. Juf Miriam kwam op adem, dit onderdeel was goed verlopen. Nu waren Maria en Jozef aan de beurt. Die hadden gelukkig geen tekst. Maria kwam met een grote pop op schoot op een krukje te zitten en Jozef hoefde er alleen maar achter te staan. Op een krukje achter het stel kwam de kerstengel te staan met in de hand een banderol waarop geschreven stond “Gloria in excelsis Deo”.

Juf Miriam had tijdens de repetitie moeten uitleggen wat die tekst betekende maar voordat ze zover was had Nölke al aan de kinderen laten weten dat “deo” op de spuitbus stond waarmee Nölke zijn moeder zich iedere morgen onder de armen spoot en dat hij nu wilde weten van juf Miriam of ze Ace, Nivea of een ander merk bedoelde. Juf Miriam had het daarna moeilijk om de hele groep op een andere gedachte te brengen en dat “deo” op dit lint “god” betekende. Nölke ging helemaal in een deuk en liet weten dat zijn moeder dus “god” onder de armen spoot. Juf Miriam liet het er maar bij zitten, met Nölke was af en toe geen land te bezeilen. 

Nu klonk uit de boxen “Nu zijt wellekomen” en kwam er van achteruit de zaal en processie op gang. Eerst de herders, dan de drie koningen met kamelendrijver. Toen ze allemaal op het podium stonden kwam Iris in haar feestjurk en nieuwe schoenen, met gekleurde lichtjes in de zolen, naar voren. Dagen had ze geoefend op een gedichtje dat Juf Miriam speciaal had geschreven. Iris keek even de zaal rond en zei toen:

Iech kom uuch ‘n sjoen kemissie bringe
Oonderwijl de ingele ‘gloria’ zinge
In e sjamel en kaajd oonderkoume
Is e kinneke op dees eerd gekoume

’t heet e presentsje, hiel spesjaol 
E kedooke veur uuch allemaol
Luustert nao ’t kinneke en maak ‘t blij
Dat kinneke bringk jummers riechtege vrei 

Vrei is wat eder vaan us ziech wins
Dao euver zien veer ’t allemaol ins
De drei keuninge staar straolt ouch op uuch häöre sjien
Maag Keersemes en Nuijaor veur uuch daan zaoleg zien.

Na een ovationeel applaus vertrok iedereen naar huis. In de garderobe ging Nölke nog even op de vuist vanwege de por die hij gekregen had tijdens het spel. Een oma herinnerde hem nogal hardhandig aan de tekst van het laatste gedicht. Hij werd verplicht een hand te geven aan zijn mede-herder. 

Juf Miriam zat inmiddels in de lerarenkamer van de Théresiaschool onderuitgezakt in een leunstoel. In haar hand had ze een ferm en wel verdiend glas rode wijn. “Keersvekansie”, riep ze door het lokaal, “tot miech geine mie aonkump de koumende daog. Iech wèl zaolege daog thoes op de baank, dat is wat iech wèl!!” Ze hief het glas en wenste al haar collega’s “Zaoleg Keersemes en zaoleg Nuijaor!” en het volgende wijntje liet niet lang op zich wachten.

Jan Janssen